Professioneel wielrennen is zelden zo gecontroleerd geweest als nu. En in de podcast Live Slow Ride Fast verwoordde Wout van Aert wat die controle kan kosten. Trainingen worden tot op het uur nauwkeurig gepland, herstel wordt dagelijks gemonitord en prestaties worden continu geëvalueerd. Toch stoppen steeds meer renners vroegtijdig, vaak vanwege mentale uitputting in plaats van fysieke achteruitgang.
In de podcast Live Slow Ride Fast werd Van Aert de vraag gesteld die steeds weer terugkomt bij Visma. De afgelopen jaren heeft Team Visma | Lease a Bike verschillende bekende renners zien stoppen of een stapje terug doen, onder wie Tom Dumoulin, Simon Yates en Fem van Empel.
Elke beslissing had zijn eigen redenen, maar het terugkerende thema van mentale belasting heeft Visma tot een belangrijk onderwerp gemaakt in het bredere debat over burn-out.
Van Aert begrijpt waarom de vraag opkomt, maar hij vindt de manier waarop het wordt geformuleerd niet prettig. “Dat het iets is dat alleen ons team aangaat, vind ik jammer”, zei hij. “Het doet zelfs een beetje pijn, want ik zie het echt als mijn team.”
Hij vindt dat het verhaal een oneerlijke generalisatie is geworden. “Ik heb het grootste respect voor de beslissingen van bijvoorbeeld Fem en Simon”, zei hij, “maar die hebben niets te maken met de sfeer in ons team.” Volgens Van Aert is er juist veel ruimte om te praten over hoe je je voelt en om een andere aanpak te kiezen, vooral als een renner vaker thuis wil zijn.
Volgens hem gaat het niet aan de kern van de zaak om een sportbreed probleem te reduceren tot één specifieke omgeving. “Wielrennen blijft wielrennen,” voegde hij eraan toe. “Het is een zware sport die veel offers vraagt.”
Wat volgens hem veranderd is, is niet de moeilijkheid van het werk, maar de manier waarop het wordt aangepakt. “Die offers zijn misschien nog groter geworden door het datatijdperk waarin we leven,” zei Van Aert. “Alles wordt constant gemeten en je moet voortdurend rapporteren hoe je traint, hoe je slaapt, waar je bent.”
Zijn conclusie was duidelijk. “Het is geen freestyle meer.”
In Van Aerts opmerkingen schuilt nog een andere laag die teams zelden openlijk bespreken: wat gebeurt er met zelfredzaamheid wanneer alles wordt verzorgd? Hij legde uit, vanuit zijn achtergrond in het veldrijden, hoe hij in het begin van zijn carrière zijn eigen problemen moest oplossen. “Als ik een blessure heb, zoals nu met mijn enkel, zoek ik mijn eigen fysiotherapeut. Je zoekt je eigen dokter. Je regelt het zelf.”
Die ervaring heeft hem nog steeds gevormd. “Als ik goed rijd en er gaat iets mis, weet ik wie ik moet bellen. Want ik moet morgen weer trainen.”
Hij zet dat af tegen wat hij nu om zich heen ziet. “Soms hebben jonge renners een klein probleem en denken ze: ik bel het team wel, want ik weet niet echt hoe ik dit moet oplossen. Dat zijn de meest basale dingen.”
Deze afhankelijkheid is geen morele tekortkoming. Het is het logische gevolg van een sport die de besluitvorming steeds meer van de renner wegneemt. Wanneer trainingsblokken, rustdagen en herstelprotocollen vooraf zijn vastgelegd, blijft er weinig ruimte over voor het ontwikkelen van oordeelsvermogen.
Be the first to comment